Kruisingschema’s

De ervaring leert dat om succesvol te zijn in het inkruisen, men een gedegen fokplan nodig heeft dat consequent uitgevoerd dient te worden. De onderstaande kruisingschema’s worden toegepast in de praktijk.

Verdringings-kruising

Bij deze kruising stapt u over naar een ander ras dat wellicht beter past bij uw bedrijf. In het verleden heeft dit zich ook voorgedaan in Nederland. De toen bekende FH koeien zijn ingekruist met Amerikaanse HF stieren. Net als toen wordt ook hier het oorspronkelijke ras verdrongen. Als men door blijft kruisen met een ras dat een geheel andere bloedvoering heeft, zal na vier generaties het oorspronkelijke ras geheel verdrongen zijn. Het heterosis effect neemt na iedere generatie af tot het 0 % is. Het nadeel van een verdringingskruising is dat u de goede eigenschappen van het bestaande ras ook kwijtraakt.

Rotatie-kruising

Hierbij wordt gebruik gemaakt van twee ras- sen die het beste aansluiten op uw bedrijfs- voering en -wensen. Bij deze kruising blijft van het oorspronkelijke heterosis effect 67% in stand. Door jarenlang in de praktijk ervaring op te hebben gedaan, blijkt dat de stierkeuze na de eerste generatie zeer belangrijk is om de gewenste koe te fokken die men voor ogen heeft. De spreiding tussen de nakomelingen zal groter zijn na een 2e kruising (F2). Hierdoor is de kans op tegenvallers groter, althans in een 2-wegkruising. Indien de juiste stieren op basis van bloedvoering en compensatieparing (bijvoorbeeld: hoogtemaat) gebruikt worden, zult u prima melkvee fokken die de positieve eigenschappen van beide rassen weten te behouden. Het toepassen van dit kruisingsschema werkt dan ook erg overzichtelijk, en heeft geeft de mogelijkheid om zeer doelgericht verbeteringen toe te passen binnen uw veestapel.

3-wegkruising

Bij een kruising tussen 3 verschillende rassen geniet men van het maximale heterosis effect. Deze 3-wegkruising zorgt er dan ook voor dat het oorspronkelijke heterosis effect met 85% grotendeels intact blijft. Een kruisingsschema met 4 rassen is ook een mogelijkheid. Alleen het verschil bij het gebruik van 3 rassen is minimaal, en het fokschema zal na verloop van enkele generaties als maar ingewikkelder worden. De meerwaarde is dus zeer gering bij het gebruik van 4 rassen. Uw eigen voorkeur, bedrijfssituatie en de uitgangssituatie van uw veestapel is bepalend voor de keuze van het gebruik maken van verschillende rassen. Het doel blijft dat de nakomeling beter presteert dan het moederdier. Bij een 3-wegkruising blijkt dat de nakomelingen het meest uniform zijn en het beste scoren op de secundaire eigenschappen, namelijk waar de erfelijkheidsgraad het laagst van is: vruchtbaarheid, klauw- gezondheid, uiergezondheid, kalvervitaliteit en celgetal. Wat opvalt is de uniformiteit in de F2 qua bouw, benen en uier. Dat is het gevolg van de keuze van een derde ras, waardoor er geen recombinatie effecten kunnen ontstaan die meer spreiding veroorzaken. Ook in latere generaties blijft uw melkveestapel uniform en het heterosis effect intact. Door de verschil- lende rassen blijft de bloedverwantschapgraad laag in uw veestapel. Dat maakt iedere kruising een nieuwe en gezonde kruising!